Je fantasie als verhalenverteller
24 december 2007Het is toch eigenlijk een wonderbaarlijk iets, die rozige kronkelende massa in je hoofd. Je hersenen zijn heer en meester over je lichaam en geest. Ze sturen alles aan: van je ademhaling en je bloedsomloop tot je gevoelens en ook je fantasie. Vooral dat laatste is iets dat mij als schrijver intrigeert.
Je fantasie is iets heel persoonlijks. De ene persoon spreekt zijn fantasie bijna nooit aan, terwijl de ander juist weer een heel levendige fantasie heeft. En bij iedereen komt er weer iets anders uit. Zo ook bij het lezen van verhalen. Als je leest, vormen de woorden op het papier zich, met de hulp van je fantasie, om tot bewegende, soms bijna levensechte beelden in je hoofd. Die beelden zijn voor iedereen weer anders, zelfs wanneer je precies hetzelfde verhaal leest. Ze worden gekleurd door je eigen waarnemingen, je eigen ervaringen en je eigen levensopvattingen. Natuurlijk, de verhaallijnen en de belangrijkste karaktereigenschappen van de personages blijven voor iedereen hetzelfde, maar hoe je alles voor je ogen ziet gebeuren, hoe de personages er precies uitzien en vooral, wat voor gevoelens dit bij je oproept, dat zal voor elke lezer weer anders zijn. Dus als een schrijver 100.000 exemplaren van zijn boek verkoopt, heeft hij eigenlijk 100.000 verschillende verhalen verteld.
Welk soort verhalen je het meest aanspreekt, wordt denk ik ook mede bepaald door de hoeveelheid fantasie die je hebt. Mensen die stevig met beide benen op de grond staan en hun verbeelding wat meer naar de achtergrond hebben geschoven, bijvoorbeeld, zullen over het algemeen niet zo snel worden aangesproken door verhalen uit het fantasy-genre. Dit genre in het bijzonder vereist dat de lezer zich laat meevoeren in de vaak niet-realistische hersenspinsels van de schrijver en dat wordt toch wat lastig als de lezer bij ieder element denkt: “Ja, wacht eens even, dat kan toch helemaal niet?”. Omgekeerd zal iemand met een grote fantasie zich wellicht al snel vervelen bij het lezen van een verhaal over een dag in het leven van een schaapherder en zich afvragen wanneer er nu eens iets gaat gebeuren dat je niet al gewoon in het dagelijks leven zou kunnen meemaken.
Natuurlijk is dit een extreem voorbeeld. En het is ook niet gezegd dat fantasie per se moet samenhangen met verzonnen, niet werkelijk bestaande elementen. Ook een boek over alledaagse gebeurtenissen kan zeer tot de verbeelding spreken. Maar zie, die fantasie komt hoe dan ook terug. Het is een essentieel onderdeel van de leeservaring. Je hebt het nodig om het verhaal voor je te kunnen zien, om erin mee te kunnen gaan. Zonder fantasie geen verhaal.
Die fantasie, dat is ook wat mij het meeste aanspreekt in het schrijven. Allereerst omdat ik zelf nu eenmaal een vrij ongebreidelde fantasie heb. Als klein kind al had ik er geen enkele moeite mee om me te laten meevoeren in de verhaalwereld, hoe werkelijk of onwerkelijk deze ook was. En als ik mijn fantasie echt de vrije loop laat, dan zie ik overal wel een verhaal in. Mijn fantasie is mijn uitlaatklep. En in het opschrijven ervan, kan ik al mijn creativiteit kwijt. Maar daarnaast vind ik het misschien wel nog fascinerender om te zien wat de dingen die ik schrijf met anderen doen als ze het lezen. Hoe zij mijn hersenspinsels interpreteren en tot iets eigens maken. Hoe zij er betekenissen aan geven die ik zelf niet eens kon vermoeden. Kortom, hoe ik met mijn eigen fantasie iemand anders kan raken. En natuurlijk, als je dit 100.000 keer weet te bewerkstelligen, is dat prachtig. Maar voor mij zou het al genoeg zijn als dat bij één enkel iemand lukt. Maar laat mijn eventuele toekomstige uitgever dat maar niet horen.
Plaats een reactie