Vreemdelingen in mijn hoofd

6 oktober 2008

Er zijn de laatste tijd steeds meer vreemde mensen in mijn hoofd komen wonen. Het begon ongeveer een half jaar geleden, met een groepje ouderwets geklede rijkelui met een apart Amerikaans accent.

In het begin lieten ze nog niet zo veel los, maar na een tijdje leerde ik ze wat beter kennen en kwam ik erachter dat ze uit het Manhattan van 1899 kwamen en slechts tijdelijk hun intrek namen in mijn bovenkamer. Ze bleken lang niet allemaal even aardig te zijn, vooral één van de jongere dames met donker haar en nogal opzichtige kleding. Toch durfden ze mij uiteindelijk allemaal wel in vertrouwen te nemen en vertelden ze me een aantal van hun diepste geheimen. Maar er was iets met hen. Ze waren niet zoals de andere mensen die in mijn hoofd woonden, de mensen die ik had gecreëerd, de mensen van wie ik de geestelijke moeder was. Die mensen ken ik door en door: ik weet hoe ze denken, wat ze zullen zeggen in een bepaalde situatie, wat hun diepste verlangens zijn en hun grootste angsten. Maar bij deze nieuwelingen was dat niet zo. Er bleef een zekere afstand. Na een tijdje had ik wel zo mijn vermoedens over wat ze dachten en wat ze wilden, maar ik wist het nooit zeker. En ze wisten me dan ook meerdere malen te verrassen met hun reacties op bepaalde gebeurtenissen die hen overkwamen. Zo erg soms, dat ik ze het liefst had willen berispen en ze een andere kant op had gestuurd. Maar ze luisterden niet naar mij. Of ik nu boos werd, of ze smeekte, ze deden gewoon waar ze zelf zin in hadden. Ze woonden dan wel in mijn hoofd, maar ik had duidelijk geen enkele autoriteit over hen. Niet als moeder, niet als hospita, en zelfs niet als huisgenoot.

Dat is het grote verschil tussen schrijven en vertalen. Als schrijver heb je alle touwtjes in handen, je hebt je personages van begin af aan opgebouwd, en zelfs al weten zij je ook af en toe te verrassen, ze zullen niets doen waar jij het niet mee eens bent. Bij vertalen ligt dat helemaal anders. Daarbij hou je je bezig met het geesteskind van iemand anders. Een ander heeft het verhaal bedacht en de personages gecreëerd en als vertaler mag je daar niets aan veranderen (ook al zou je dat soms wel willen). Als vertaler die ook zelf schrijft, is dat voor mij af en toe een vreemde gewaarwording. Want bij het vertalen ben je zo intensief bezig met een tekst, dat de personages ook echt gaan leven in je hoofd. Maar tegelijkertijd heb je totaal geen controle over hen. Net alsof een stel krakers jouw bovenkamer heeft ingenomen.

En de vooraanstaande dames en heren uit het oude Manhattan waren niet de enigen. Na zo’n drie maanden in mijn hoofd te hebben gebivakkeerd, keerden zij weer huiswaarts, maar hun plek werd vrijwel meteen ingenomen door een stoere, Londense journaliste die een hoop rottigheid had meegemaakt in Moskou. En net toen ik na anderhalve maand een beetje aan haar gezelschap gewend was geraakt, maakte zij plaats voor een Britse dame en een Griekse heer die middenin een fikse relatiecrisis zaten.

Inmiddels zijn ook zij weer vertrokken en is het weer even stil. Te stil. Want mijn eigen personages, de mensen die ik zelf heb gecreëerd, laten ook nog maar weinig van zich horen. Ik denk dat ze een beetje boos zijn op me. Ik heb ze ook wel erg verwaarloosd de laatste tijd. Ik had het zo druk met het entertainen van alle tijdelijke gasten in mijn hoofd, dat er haast geen tijd meer overbleef voor hen. En daar zijn ze natuurlijk niet zo blij mee. Want zij hebben nog zoveel te vertellen en te beleven, maar daar hebben ze wel mijn hulp voor nodig. Hun belevenissen staan immers nog nergens opgeschreven. Ze bestaan alleen nog maar in mijn hoofd en ik ben de enige die ervoor kan zorgen dat ook zij straks in staat zullen zijn om in het hoofd van andere mensen door te dringen. En dat willen ze zo graag, dat ze langzamerhand voor steeds meer oproer gaan zorgen in mijn gedachten. Ik heb ze geprobeerd te sussen met de belofte dat ik na de volgende drukke periode weer meer tijd voor ze zal inruimen. Nu maar hopen dat ze het tot die tijd een beetje kunnen vinden met hun nieuwe tijdelijke huisgenoten. Die komen volgens hun briefkaartje namelijk al over drie weken aan.

PS: de meeste van mijn voormalige gasten liggen nog te wachten op bureaus tot ze kort hun intrek mogen nemen in het hoofd van een redacteur. Maar je kunt echter al wel kennismaken met de New Yorkse society van 1899. Zij wonen nu in de boekhandels, in het huis genaamd “Roddel en achterklap“, en ze staan te trappelen om tijdelijk bezit te mogen nemen van jouw bovenkamer.

Reacties

  1. J.A.
    13 oktober 2008 21:05

    Gefeliciteerd met je eerste gepubliceerde vertaling! Op naar een volle boekenplank.

Plaats een reactie