In gesprek met jezelf

22 januari 2006

Je doet het elke dag. Met de melkboer, met je vrienden en met jezelf; op school, op het werk en thuis. Ik heb het over praten: monologen, dialogen, trialogen en ga zo maar door. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat iets wat je zelf in je dagelijkse leven zo vaak doet, ook terugkomt in je verhaal.

Fictieve personages lijken meestal toch zoveel mogelijk op ons echte mensen, dus hebben ook zij gesprekken met elkaar of met zichzelf. Klinkt allemaal erg logisch niet? En hoe moeilijk kan dat nou eenmaal zijn, zo’n simpel alledaags gesprekje op papier zetten?

Nou, dat valt nog vies tegen. Dialogen schrijven is helemaal niet zo makkelijk als het misschien lijkt. Je hebt immers te maken met een compleet ander medium: spraak is iets anders dan schrift. En in de geschreven wereld gelden weer heel andere regels.

Kijk alleen maar eens naar de weergave: spraak is een aaneengesloten stroom klanken. Je hoort geen hoofdletters, aanhalingstekens en gedachtestreepjes; je hoort hooguit een pauze op de plaats van een komma of punt. Bij schrift ligt dat wel anders. als je een stroom woorden achter elkaar opschrijft zonder enige leestekens wat overigens soms wel gedaan wordt door schrijvers om het zogenaamde stream of consciousness effect te creëren dan leest dat toch behoorlijk lastig vrij irritant en dan help ik jullie nu nog door wel een spatie tussen de woorden te zetten… Leestekens zijn dus hard nodig. Het vervelende is alleen dat er vaak niet één specifieke regel voor is. Zet je spraak bijvoorbeeld tussen ‘enkele’ of “dubbele” aanhalingstekens? En leg je nadruk op een woord door een stréépje op de klinkers toe te voegen of door het woord schuin te zetten?

Maar dat zijn nog maar kleinigheden, die vooral te maken hebben met conventies en met je eigen smaak. Als je kijkt naar de zinsopbouw, wordt het al veel lastiger. Spraak bevat bijvoorbeeld vaak grammaticaal incorrecte zinnen, er wordt regelmatig begonnen met een zin, waar dan halverwege een andere zin aan vast geplakt wordt en er worden allerlei opvulwoorden gebruikt als de spreker nadenkt over het verloop van de zin. Als je dit letterlijk overneemt in een geschreven dialoog, kan dit irritatie opwekken bij de lezer:
“Zeg euh, Joost, heb jij dat ook gehoord over, euh… shit, hoe heet ie ook alweer? Je weet wel, euh… die vent die zo vaak op het nieuws komt…”
Een dialoog die grammaticaal erg netjes is, kan echter weer als te gemaakt over komen.
“Weet u misschien waar ik het toilet kan vinden?”
“Er is geen toilet in deze winkel.”
“Wat vervelend. Ik moet namelijk erg nodig.”
“Wat naar voor u. In de winkel hiernaast is echter wel een toilet aanwezig.”
“Dan zal ik daar naartoe gaan. Bedankt voor de tip.”
Je moet hier dus op de een of andere manier een balans in zien te vinden.

Dan is er ook nog de factor emotie. Bij spraak is de emotie van de spreker vaak duidelijk af te leiden uit de intonatie, de klank van de stem en de gezichtsuitdrukking. Je merkt het meteen als iemand echt boos is of verdrietig, of wanneer iemand een grapje maakt. Bij schrift moet dat echter geëxpliciteerd worden. De zin “Spruitjes, lekker.” bijvoorbeeld, kan zowel opgewekt als ironisch bedoeld zijn. Dit kun je natuurlijk weergeven door “zei hij opgewekt” en “zei ze ironisch” erachter te zetten, maar doe je dat bij iedere uitspraak, dan wordt dat al gauw behoorlijk eentonig.

Dit brengt mij bij mij persoonlijke favoriet: het ‘zei hij / zei zij’ probleem. In een gesproken dialoog zijn de sprekers over het algemeen wel van elkaar te onderscheiden: hun stemmen klinken anders en als je zelf bij het gesprek aanwezig bent, kun je ook zien wie wat zegt. Bij een geschreven dialoog is dat echter niet altijd even duidelijk: je kunt de sprekers immers niet horen of zien. Dus zul je als schrijver moeten expliciteren welk personage welke uitspraken doet. De meest voorkomende constructie hiervoor is het plaatsen van “zei hij / zei zij” na de uitspraak. Maar bij lange dialogen gaat zoiets de lezer na een paar zinnen toch behoorlijk op de zenuwen werken. Je zult hier als schrijver dus creatief moeten zijn en ook andere, minder simpele constructies moeten bedenken.

Zo zijn er dus behoorlijk wat obstakels die je als schrijver zult moeten overwinnen om een dialoog te schrijven die én goed leesbaar is én natuurlijk overkomt en bovendien niet eentonig wordt. Gelukkig zijn er ook een paar tips om ons schrijvers te helpen. Zelf pas ik regelmatig de tactiek toe om een goedlopende dialoog ook nog even hardop op te lezen, liefst inclusief de verschillende stemmen en emoties van de betrokken personages, om te kijken of het ook als gesproken dialoog acceptabel klinkt. Helaas loop je bij deze methode wel het risico dat je familie of vrienden je driftig in jezelf horen praten en daaraan de conclusie verbinden dat je nu toch echt compleet bent doorgedraaid, maar hé, met een beetje geluk heb je dan wel een goed lopende dialoog op papier staan.

Plaats een reactie