Schrijfpijn

11 december 2005

Schrijven is niet leuk. Punt.

Dit geloof je natuurlijk niet, na alle mooie, spannende en sfeervolle weblogs die we je hebben voorgeschoteld. Maar het is waar. Als je goed leest blijkt het ook wel uit de meeste weblogs; vaak gaan we eerst door een moeilijk, misschien wel duister, moment voor we bij het mooie uitkomen. En die mooie momenten blijven natuurlijk bewaard op papier, net zoals je alleen de pasgeboren roze baby ziet op bevallingsfoto’s, en niet het van pijn vertrokken gezicht van de jonge moeder. Moeders vergeten de pijn kennelijk ook erg snel als ze hun jonge spruit in hun armen hebben, en ze zijn tijdens het bevallen natuurlijk met iets heel anders bezig dan zich de pijn goed in te prenten. Ik zou willen dat het bij mij ook zo was. Dat ik mijn pijn minder bewust mee zou maken, dat ik wist dat er een eind aan zou komen - desnoods dankzij een spuit of magisch middel van de anesthesist - en dat ik dan een mooi kindje in mijn armen zou hebben. Maar op dit moment is het alleen maar duister en kil in mijn schrijfwereld.

Het doet verschrikkelijk veel pijn om een schrijfsel voort te brengen. Laat ik maar beginnen met de fysieke pijn, want daaraan zitten in ieder geval de grenzen van het menselijk lichaam waardoor de lijst nog enigszins in te perken is. Terwijl ik dit unplugged schrijf, voel ik m’n potlood in m’n middelvinger drukken, waardoor het een diepe deuk achterlaat. Leuk hoor, dat ik in groep 6 moest leren om m’n pen anders vast te houden om een mooier handschrift te creëren… Daarnaast prikt de nagel van mijn duim ook nog eens in m’n wijsvinger, waardoor ik dus eigenlijk altijd korte nagels moet hebben om lekker unplugged te kunnen schrijven. Natuurlijk hebben zowel unplugged schrijven als schrijven op de computer RSI tot mogelijk pijnlijk gevolg. Ik krijg het zelf niet altijd op de meest logische plaatsen (pols, elleboog, schouder of rug), maar na lang op m’n bureaustoel te hebben gezeten, heb ik vaak pijn in m’n bovenbenen en billen. Vooral de rechterkant is RSI-gevoelig… Zoals ik al zei: schrijven is pijnlijk.

Staren naar een computerscherm of plotpuzzelen kan stevige hoofdpijn opleveren. En als het schrijven zo voorspoedig gaat dat je de tijd vergeet, kan het uitdroging, ondervoeding en slaapgebrek tot gevolg hebben. Geen bijwerkingen die een positief effect op je lichamelijke werking hebben… Toch is dit allemaal maar relatief: fysieke schrijfpijn is op te lossen met wat rust, ook al is dat moeilijk als je helemaal in je verhaal verzeild bent geraakt. Zoals ik het nu zie is fysieke schrijfpijn namelijk vooral een gevolg van een te veel aan schrijven. De andere schrijfpijn - mentale pijn - is echter moeilijker op te lossen.

Mentale schrijfpijn kan veroorzaakt worden door van alles: teleurstelling, afwijzing, gebrek aan inspiratie, jaloezie, angst dat je geliefde personages of plotideeën moet loslaten omdat ze niet werken… Het pijnlijkste is nog wel dat er geen medicijn voor is. Terwijl ik bij fysieke schrijfpijn rust nam en van m’n geboekte vooruitgang genoot, wordt mentale schrijfpijn alleen maar verergerd door rust. Rust creëert bij mentale schrijfpijn een zwart gat, waarin alleen mijn pijn lijkt te bestaan. En wanneer ik afleiding zoek in boeken, muziek of films, voel ik alleen maar jaloezie omdat anderen kennelijk wel kunnen wat ik wil. Ik kan niets… ik kan alleen maar pijn voelen.

Dus wat is dan de oplossing? Ik heb overwogen om m’n computer uit het raam te gooien, maar dan kan ik ook geen huiswerk meer maken of contacten onderhouden. Andere bezigheden zoeken? Ik heb tuinieren geprobeerd, maar op de een of andere manier herinnert me dat ook aan personages of scènes die het daglicht niet kunnen verdragen, die slecht zijn, die ik nooit had moeten schrijven. Of nog erger: dat ik nooit had mogen leren schrijven. En de pijn is terug in alle hevigheid.

Ik kijk eens naar de deuk in m’n middelvinger: nee, ik kijk naar de plek waar de deuk eerder zat. Ik heb weer een gave middelvinger, geheel deukloos. Door de mentale schrijfpijn is alle fysieke schrijfpijn overwonnen. Maar de duisternis en kilte blijven, slechts verlicht door het schijnsel van de televisie waar ik geen aandacht aan wil geven. Langzamerhand word ik bang voor m’n computer, voor pennen en papier. Tot ik me ineens herinner dat ik nergens bang voor hoef te zijn: ik heb toch nog niets te verliezen? Ik was toch nog gewoon een amauteur, zoekend naar haar plekje in de schrijfwereld? Dr. Carter knikt me bemoedigend toe vanaf de televisie. Ik ben aan de beterende hand.

Plaats een reactie